Belgische Sint Bernard Club

Club Belge du Saint Bernard


KKUSH 645 URCSH

SINT-BERNARDSHOND (BERNHARDINER)

F.C.l.standaard nr 6121.01.2004 NL


Land van oorsprong
: Zwitserland

 

Datum van publicatie en in werking treden standaard: 29.10.2003


Gebruik
: begeleidingshond waakhond en hond voor de boerderij

 

CLASSIFICATIE F.C.I.

Groep 2: - Pinschers en Schnauzers
- Molossers
- Zwitserse Sennenhonden en andere rassen

Sectie 2 :2: Molossertype, Typeberghonden

Geen werkproef


 

KORT GESCHIEDKIJNDIG OVERZICHT: de kloosterherberg op de top van de Grote St-Bernard op 2469 m hoogte, werd gesticht in de 11e eeuw met het doel een schuilplaats aan te bieden voor reizigers en bedevaarders. In bet midden van de 17° eeuw omringden de monniken zich met grote honden van bet bergtype, die bestemd waren voor de bewaking en de verdediging. De aanwezigheid van deze honden in dit toevluchtsoord van de Grote St-Bernard is bewezen door afbeeldingen en documenten die dateren van 1695 en ook door een aantekening in de aktes van de kloosterberg in 1707.

Weldra werden deze honden ook gebruikt om de reizigers te begeleiden en vooral om diegenen terugte vinden en te redden, die verdwaalden door sneeuw en mist. Uit kronieken die in verschillende talen gepubliceerd werden, leert men op welke wijze deze honden talrijke mensenlevens hebben gered van de witte dood. Evenals uit verslagen van de soldaten van het leger van Napoleon, die in 1800 deze berg overwonnen. Zo werd in de 19° eeuw de faam van de St-Bernardshond overal verspreid. Deze honden werden toen “Barry-hond”genoemd, naar de legendarische Barry, die het prototype werd van de reddingshond. De directe voorvaders van de St-Bernard waren de grote hoevehonden, die zeer verspreid waren bij de boeren uit de omgeving. In enkele generaties en door een systematisch fokken in de richting van bet gezochte, ideale type, werd zo dit huidige ras gecreëerd. In 1867 begon Heinrich Schumacher uit Hollingen (dicht bij Bern) als eerste met bet opmaken van afstam meldingsdocumenten van zijn honden.

In februari 1884 werd bet Zwitsers Hondenstamboek opgericht. De eerste hond, die in dit nationale register werd ingeschreven was een St-Bernardshond “Leon” genaamd. Ook de volgende 28 inschrijvingen waren eveneens St-Bernardshonden.

Op 15 maart 1884 werd de Zwitserse St. Bernardsclub opgericht te Bazel.

Ter gelegenheid van een internationaal kynologisch congres op 2 juni 1887 werd de St Bernardshond officieel als Zwitsers ras erkend en de rasstandaard als enige norm aanvaard. Sinds die tijd wordt de St-Bernard als een nationale Zwitserse hond beschouwd.

 

ALGEMEEN BEELD: Er bestaan twee variëteiten:

-de variëteit met korte vacht (stokhaar)

-de variëteit met lange vacht

De beide variëteiten hebben een aanzienlijke grootte en verschijning. Ze hebben een harmonisch, krachtig en gespierd lichaam. Het hoofd is imposant, met aandachtige uitdrukking.

 

BELANGRIJKE VERHOUDINGEN

-Gewenste verhoudingen tussen schofthoogte en lichaamslengte (gemeten van het boeggewricht tot het zitbeenpunt) 9 :10

-Gewenste verhouding tussen schofthoogte en borstdiepte: zie tekening

-De totale hoofdlengte is wat meer dan 1/3 van de schofthoogte

-Verhouding snuitdiepte (gemeten bij snuitaanzet) tot snuitlengte is zeer dichtbij 2 :1

-De snuit is wat langer dan 1/3 van de totale hoofdlengte.

 

 



GEDRAG / KARAKTER: vriendelijk karakter, met kalm tot levendig temperament, hij is waakzaam

HOOFD: massief, imposant en met veel expressie.

 

SCHEDELGEDEELTE

Schedel: sterk en breed, in profiel en van voor gezien licht gewelfd. Wanneer de hond alert is vormt de ooraanzet metbovenschedel een rechte lijn, die zijdelings in een zachte ronding overgaat in de krachtig ontwikkelde en hoge bakkenpartij. De bovenkop gaat plots en steil afvallend in de snuitpartij over. Achterhoofdsknobbel slechts matig ontwikkelt. Wenkbrauwbogen zijn zeer sterk ontwikkeld. Vanaf de stopaanzet heeft men een duidelijk afgetekende voorhoofdsgroeve die ongeveer tot midden de schedel uitloopt. De voorhoofdshuid vormt boven de ogen lichte rimpels, die zich verenigen in de schedelgroeve. Wanneer de hond alert is worden ze nog verder gemarkeerd, anders zijn ze eerder onopvallend.

Stop: goed benadrukt.

 

AANGEZICHTSSCHEDELGEDEELTE

Neus: zwart, breed en hoekig, neusgaten goed geopend

Snuit: gelijkmatig breed, rechte neusrug met een bescheiden neusgroef

Lippen: lippenboord zwart gepigmenteerd. De bovenlippen zijn sterk ontwikkeld, strak en niet teveel afhangend, en vormen naar de neus toe een grote boog. De mondhoek blijft zichtbaar.

Kaken / Gebit: boven- en onderkaak krachtig, breed en van dezelfde lengte. Goed ontwikkelt, regelmatig en volledig schaar- of tanggebit. Een omgekeerd schaargebit (zonder contactverlies tussen de snijtanden) is toegestaan. Het ontbreken van PM 1 en M 3 worden getolereerd.

Ogen: middelgroot, donkerbruin tot hazelnootkleurig, liggen matig diep in de oogkas, vriendelijke uitdrukking. De oogranden zijn volledig gepigmenteerd. Een natuurlijke en goede aansluiting van de oogleden met het oog is gewenst. Een kleine plooi met weinig zichtbaar bindvlies aan onderste oogrand en een kleine plooi aan bovenste oogrand zijn toegelaten.

Oren: middelgroot, hoog en breed aangezet, oorschelp sterk ontwikkelt. De oorlappen zijn soepel, driehoekig van vorm en aan het uiteinde afgerond. De voorzijde is goed aanliggend bij de wangen, de achterzijde licht afstaand.

 

HALS: krachtig en van voldoende lengte. Matig ontwikkelde keel- en halshuid.

 

 

 

 

 

LICHAAM

ALGEMEEN BEELD: imposant uitzicht, harmonisch, statige verschijning en goed gespierd

Schoft: goed aangeduid

Rug: breed, krachtig, vast. De ruglijn is tot aan de lendenen recht en horizontaal
Kruis: lang, weinig afvallend, harmonisch overgaand in de staartaanzet

Borst: borstkorf matig diep, goed gewelfde ribben, die niet tonvormig mogen zijn. De borstkas

gaat niet voorbij de ellebogen

Onderlijn en buik: naar achter toe licht opgetrokken

 

STAART: breed en krachtig bij aanzet, lange en zware staart. De laatste staartwervel moet minstens tot spronggewricht komen. In rust wordt de staart recht hangend naar beneden gedragen of voor 1/3 laatste staartdeel licht omhoog geheven. Wanneer de hond opmerkzaam is, wordt de staart hoger gedragen.

 

LEDEMATEN

VOORHAND

Algemeen: voorbenen van voor gezien recht en evenwijdig, en matig breed gesteld

Schouders: schouderblad schuin geplaatst, gespierd en goed aanliggend.

Opperarm: langer dan schouderblad. De hoeking tussen schouderblad en opperarm niet te stomp (open).
Ellebogen: goed aanliggend

Voorbenen: recht, van sterk bot voorzien, droog gespierd

Voormiddelvoet: van voor gezien loodrecht in de verlenging van het voorbeen, zijdelings

gezien licht hellend.

Voorvoeten: breed, met krachtige, goed dicht aangesloten en sterk gewelfde tenen.

 

ACHTERHAND

Algemeen: matig gehoekt en goed gespierd, van achter gezien staan de achterbenen parallel niet te eng.

Bovenbeen: krachtig, gespierd, breed.

Kniegewricht: goed gehoekt, niet naar binnen of naar buiten draaiend

Onderbeen: schuin geplaatst, vrij lang.

Spronggewricht: matig gehoekt, vast

Achtermiddelvoet: van achter gezien recht en evenwijdig geplaatst

Achtervoeten: breed, met krachtige, goed gesloten en sterk gewelfde tenen. St-Hubertusklauwen worden getolereerd, voor zover zij de beweging van de achterste ledematen niet hinderen.

 

GANGWERK: harmonieus en goed uitgrijpend gangwerk met goede stuwing vanuit de achterhand.

De rug blijft stabiel en vast in de beweging. Voor en achterbenen bewegen zich recht vooruit (evenwijdig met de mediaanlijn)

 

VACHT

HAAR

Kortharige variëteit (stokhaar) dicht dekhaar, glad, goed aanliggend en stokharig (derbrude) overvloedige ondervacht. Lichte broekvorming aan de dijen. Dicht behaarde staart.

Langharige variëteit: middellang, recht dekhaar, overvloedige ondervacht. Gezicht en oren kort behaard. Op de heupen en kruis gewoonlijke een weinig gegolfd. Voorbenen zijn bevederd. Aan de dijen een goed ontwikkelde broek. Staart dicht begroeid en overvloedig haar.

 

KLEUR: witte grondkleur met kleinere of grotere roodbruine platen (platenhond bonte hond) die ook een ononderbroken roodbruine mantel kan vormen over rug en flanken (mantelhond.) Een “gescheurde mantel”(met witte gaten daartussen) is gelijkwaardig. Het gestroomde roodbruin is toegelaten. De bruingele kleur wordt getolereerd. Een donkere aftekening aan het hoofd (charbonnures Verbramung) is zeer gewenst. Een naar zwart zwemende kleur op bet lichaam is getolereerd.

 

Voorgeschreven witaftekening

Borst, voeten, staarteinde, band rondom de snuit, bles (die vanaf de neusrug verder tot het hoofd verlengt), nek

Gewenste aftekening: witte halskraag, symmetrisch donker masker.

 

 

GROOTTE

Schofthoogte:Reuen minstens 70 cmReuen maximum 90 cm

Teven minstens 65 cmTeven maximum 80 cm

 

Honden die de maximum maat overschrijden zullen niet bestraft worden, voor zover ze een harmonieus totaalbeeld geven en ze een correct gangwerk hebben.

 


FOUTEN
: al wat afwijkt van wat hiervoor vermeld wordt, dient bestraft te worden. De bestraffing gebeurt in verhouding tot de graad van afwijking.

-te weinig gemarkeerd onderscheid in geslachtstype

-algemeen beeld dat niet harmonieus is

-te korte ledematen in verhouding tot grootte (kortbenigheid)

-gemarkeerde rimpels op hoofd en hals

-te korte of te lange snuit

-te losse onderlip die naar buiten afhangt

-ontbrekende tanden (uitgenomen PM1 en M3)

-kleine tanden (en dit in het bijzonder de snijtanden)

-licht bovenvoorbijten

-lichte ogen

-uitzakkende oogleden

-zadelrug, karperrug

-overbouwde of steil afvallende kruis

-een over de rug gekruld gedragen staart

-ontbreken van de voorgeschreven kleuraftekening

-kromme voorbenen- sterk uitdraaiende voorbenen (Franse stand)

-steile, O-benige (tonvormige) of koehakkige achterhand

-incorrect gangwerk

-gekruld haar (bouclé Kraushaar)

-onvolledige of afwezige pigmentatie aan de neus, rond de neus, aan de lippen en oogleden

-incorrecte grondkleur bvb. roodbruine vlekken of spikkels in het wit

 


UITSLUITINGSFOUTEN

-angstige hond of agressiviteit

-bovenvoorbijten, sterk gemarkeerd ondervoorbijten

-blauw oog (glasoog)

-ektropium, entropium

-volledig witte vacht of volledig roodbruine vacht (ontbreken van de grondkleur)

-anderskleurige vacht

-niet bereiken van de minimummaat

 

Honden die duidelijke fysische abnormaliteiten hebben of duidelijke gedragsstoornissen tonen moeten gediskwalificeerd worden.

 

NB de reuen moeten twee normaal ontwikkelde testikels hebben die volledig in het scrotum afgedaald zijn

 

Deze gewijzigde standaard treedt in voege vanaf april 2004